Rotterdam




In de Witte de Withstraat in Rotterdam verkopen ze emotioneel glas & aardewerk. Wij wisten even niet wat we ons daarbij moesten voorstellen. En wat die aanverwante zaken zijn, wil ik geloof ik niet eens weten. Het meisje in de rode jas heeft iets in deze winkel gekocht. En nu, eenmaal thuis, ben ik eigenlijk wel benieuwd naar wat er aan emoties in haar tas is beland.
In diezelfde Witte de Withstraat openen ze binnenkort een tapas-tent met mijn naam. Dat is natuurlijk goed nieuws. Leuke straat hoor, de Witte de Withstraat in Rotterdam. O ja, en er staat ook een fotomuseum.






Logica

Ik liet ze de foto's van de orkaan bij Hanneke even zien. Via Het oog van de storm en dat ze vroeger mensen dood maakten die niet geloofden dat de aarde plat was, kwamen we hier op uit:

Kind-II: Ik geloof in god. God was een koning en hij heeft de mensen gemaakt.
Kind-I : Nee joh, we komen van de apen.
Kind-II: Dan heeft god eerst de apen gemaakt.






Geen leuk kind

Om duistere redenen hebben de buurtkinderen aan mijn hof mijn huis uitgekozen als een soortement van uitvalsbasis. Zodra ik thuiskom, loeren ze door de glazen achterdeur, zwaaien enthousiast en willen ze dat ik de deur opendoe. Soms gaan ze iets vertellen, en vaak willen ze naar binnen. Alle vijf. Liefst nog met meegebrachte vriendjes of nichtjes.
De kinderen aan mijn hof zijn veel jonger dan mijn eigen kinderen. Kind-I van tien heeft iets met kleine kinderen. Hoe groter hij wordt, hoe sneller hij in kinderwagens duikt en peuters in buggy's aan het lachen probeert te maken. Hij is dan ook de mini-onderwijzer van de buurt. Het clubje kinderen achter mijn huis is zeer aanwezig. Soms wil ik ze niet om me heen en al helemaal niet in mijn huis. Als ik dat aan ze uitleg, gaan ze vaak een eindje verderop fietsen, om na een kwartier weer aan het raam te staan. Maar goed, ze luisteren tenminste. Een kwartier lang luisteren als je vier jaar oud bent, is niet gering. Het zijn aardige kinderen. Op één na.

Het is een meisje met brutale ogen. Als ik A zeg, zegt zij B. Als ik vraag of ze niet op de tafel wil dansen, danst zij nog een stukje harder. Ondertussen werpt ze je dan zo'n blik toe. Als zij beslist dat iedereen gaat touwtjespringen, moet je van goede huize komen om iets anders te mogen doen. Het is een bazige tante. Ze is vijf en ik ben streng voor haar. Iedere keer als ze weer een ander kind heeft geslagen, speelgoed heeft afgepakt of met stenen heeft gegooid, loop ik naar buiten om haar te zeggen dat dat niet mag. Maar ik ben natuurlijk niet haar moeder of haar kleuterjuf. Haar moeder en haar kleuterjuf zijn in geen velden of wegen te bekennen. Het is niet mijn kind, maar ze parkeert zichzelf voor mijn deur. Ik vermoed dat ze bij mij haar grenzen komt uittesten. Zoals kinderen dat doen om te leren waar ze staan. Maar ik vind haar geen leuk kind, en die grenzen-fase kon me bij mijn eigen kinderen ook al flink gestolen worden.
Wat nu te doen?






[Archieven]

Zoek: