Dus er was een rotdag. Dat is er
meestal maar ŽŽn, dus waar zeurt een mens over, denk je dan. Je staat de
volgende dag gewoon weer op en gaat naar je werk. Werken is soms een fijn
afleidingsding. Gewoon, een beetje op het toetsenbord rammen, mail versturen,
mensen te woord staan, koffie halen uit de automaat, beetje plannen maken,
beetje crisis bezweren en hoppa, voor je het weet is het half 1 en is de dag
alweer op de helft. En dan gaat je mobiel.
Mijn mobiel is mijn persoonlijke
alarm. Mensen in mijn adressenlijst weten dat ze me niet moeten lastig vallen
op mijn mobiel als dat niet strikt noodzakelijk is. Een ramp, een sterfgeval,
een acute toestand die onmiddellijke aandacht vereist, daar is mijn mobiel
voor. Dus even doorbellen dat je van plan was vanavond sperziebonen te gaan
maken, daar hoef je op mijn mobiel niet mee aan te komen. Ik scheld je verrot
in zoÕn geval van sperziebonen, want als mijn mobiel afgaat is Er Iets. Mijn
mobiel ging af, er Was Iets.
ÒIk ben Kind-II kwijt!Ó klonk er
hysterisch in mijn mobiel. Ik voelde een soort kippevel over mÕn rug kruipen en
ik verschoot. Zo voelt dat, dat over je gezicht een koufront trekt en dat je
weet dat je wangen een andere kleur hebben gekregen. Wit of rood, dat weet je
dan weer niet omdat je in tijden van paniek zelden voor een spiegel staat.
ÒWaaaat!Ó gilde ik terug. Mijn
collegaÕs keken verschrikt op. ÒIk kom eraan!Ó, gilde ik weer, nadat me in een
soort hijgstaccato was verteld dat Kind-II al een half uur weg was, de politie
was gebeld en dat vaders en moeders door de buurt aan het rennen waren om hem
te zoeken.
De taxichaffeur wist niet waar
hij me moest oppikken op de Wibautstraat. De Wibautstraat is geen handige
straat voor taxiÕs. Met behulp van een collega zat ik uiteindelijk in een
taxibusje van TCA te huilen op de passagiersstoel en riep:ÓMijn kind is kwijt!
Snel! Ik moet naar school!Ó De taxichauffeur schrok en duwde zijn voet op het
gaspedaal. Een vermist kind valt blijkbaar onder Universele Horror, want
plankgas reden we over de Churchilllaan. Bij aankomst gaf ik hem de vijftig
euro die een collega mij eerder in mÕn handen had geduwd nadat ik had gejammerd
dat ik eerst nog moest pinnen om met een taxi mee te kunnen. Hij had niet terug
van vijftig euro en zei:ÓRen maar gauw, je moet gaan zoekenÓ en dat het zo wel
goed was.
Op het schoolplein stonden
ouders die ÒRustig! Rustig!Ó zeiden. Ik was niet rustig maar wel helder. Ik
belde de vader om te vragen waar hij aan het zoeken was, vroeg aan de ouders
waar er al gezocht was, waar de politieauto reed en rende de buurt in. In de
Albert Heijn liet ik omroepen dat er een kind van zeven jaar met een
spijkerjasje werd vermist en dat men naar hem uit moest kijken. Ik rende
verder, speurde de drukke winkelstraat af, vloog de opzichter van een grote bouwplaats
aan en liet de bouwvakkers alle putten controleren. Tegen iedereen op straat
riep ik dat ik mijn zoon kwijt was. Een onbekende jongen sprong in zijn auto en
zei dat hij rondjes ging rijden, vroeg het nummer van mijn mobiel en spoot weg.
Een vrouw op straat vroeg of ik mijn hond kwijt was. Toen ze hoorde dat het om
mijn kind ging gaf ze me haar fiets en zei:Ó Zo kun je beter zoeken, zet hem
later maar terug.Ó
Hij is met de tram gegaan,
bedacht ik me ineens. Ik ramde de deur van de muziekschool aan de Bachstraat
open, liep de administratie binnen en riep:ÓIk heb jullie hulp nodig, ik moet
het nummer van het GVBÓ! Ik belde met het GVB, kreeg uiteindelijk iemand van de
verkeersleiding aan de telefoon, die me vertelde dat hij ging afwijken van de
regels. Op de achtergrond hoorde ik hem omroepen:ÓAttentie! Hier volgt een
mededeling voor alle chauffeursÓ Ik bedankte hem, rende weer naar buiten en
belde de politie. 0900-8844. Met welk district ik wilde worden doorverbonden.
ÒAMSTERDAM!Ó, brulde ik in mijn mobiel en rende het schoolplein op. Er was
iemand gevonden, ze gingen me even doorzetten, zoals de agent in kwestie dat zo
mooi wist te omschrijven. ÒBureau Leyenberglaan, met Denise.Ó ÒHeeft u een
jongetje gevonden?Ó, hijgde ik, terwijl ik tegen de muur van het gymlokaal in
elkaar zakte. Ja, zei Denise. ÒHeeft hij een spijkerjasje aan en een kleurige
rugzak om?Ó Ja, zei Denise. Denise wilde weten wat er in de rugzak zat. ÒEen
broodtrommel, oranje, onee, het is woensdag, geen broodtrommel. Een gameboy
misschien? Een paarse?Ó We hebben hem, zei Denise. Hij vindt het hier prachtig,
kom hem maar snel halen. Ik hapte naar adem, belde zijn vader, vertelde de
achtergebleven ouders dat hij gevonden was, en spurtte naar het politiebureau.
Daar stond Kind-II, met rugzak om, aan het dienstpistool van een agent te
morrelen en vroeg of hij de handboeien mocht uitproberen. De agent vertelde me
dat hij was gevonden ver weg van school door een tandartsassistente aan wie hij
de weg had gevraagd. De tandartsassistente vond het niet pluis, nam hem mee de
praktijk in en belde de politie.
Kind-II werd over de balie
getild, ik kreeg nog een advies over telefoonnummers in rugzakken, greep mijn
kind vast en begon onbedaarlijk te huilen. Kind-II schrok. Dat was ook een
beetje de bedoeling maar ik deed het niet met opzet. De hele weg in de auto
hield ik hem stevig tegen me aan, me beseffend dat ik pedagogisch boos hoorde
te zijn, maar dat dat even niet ging lukken. Kind-II vertelde zijn verhaal.
Over boos zijn dat hij niet mocht spelen en dat hij daardoor maar naar huis was
gegaan. Alleen. Dat de tram al weg was en dat hij daarom was gaan lopen. De weg
was kwijtgeraakt, de tandartsassistente had aangesproken en zodoende met een
echte politieauto was opgehaald. Later op de avond bleek dat hij niet naar huis
had willen gaan, maar naar het vriendje bij wie hij niet mocht spelen. Tegen de
tandartsassistente had hij gezegd dat het huis van het vriendje zijn eigen huis
was en de man die daar woonde zijn vader. De vader van het betreffende vriendje
is van Surinaamse afkomst en Kind-II een echte kaaskop. Als je zeven bent en
boos, neem je het niet zo nauw met de waarheid.
Mijn collegaÕs vroegen bezorgd
hoe het was afgelopen. Ik voelde me licht in mÕn hoofd en greep me vast aan een
kantoorkast. Ik vertelde. Men zuchtte opgelucht. Ik werkte. Ramde wat op mijn toetsenbord,
verstuurde mail en stond mensen te woord. Wat ik ze gezegd heb kan ik me niet
meer herinneren. En morgen zal ik de outbox van mijn werkmail even controleren
op verwarde berichten.
Kind-II is in totaal twee uur
zoek geweest. Twee uur is te lang voor het zenuwgestel van een ouder.